Soortbeschrijving van de reuzenaardschildpad

View this page in English

1 Anatomie

De reuzenaardschildpad heeft een enkele, duidelijke kiel op de rug en stekels aan de marginalia aan de achterzijde van de carapax.
De voorpoten zijn bedekt met grote schubben, en er zitten zwemvliezen tussen de tenen. Heosemys grandis plastron Het plastron is geel met donkere stralen op elke plaat. Als het dier ouder wordt vervaagt dit patroon. Het plastron is zowel aan de voorkant als aan de achterkant ingesneden. Bij volwassen vrouwen is het plastron enigszins beweegbaar.
Plastron formule: abdominaal › femoraal › pectoraal › anaal › ‹ humeraal › ‹ gulair (d.w.z. de lijn tussen de abdominale platen is het langst, daarna de lijn tussen de femorale platen etc.)
De maximum carapaxlengte is tot 43,5 cm, de maximale massa tot 12 kg.
H.grandis heeft 2n=52 chromosomen.

1.1 Geslachtskenmerken

In tegenstelling tot de meeste andere schildpadsoorten zijn (half-)volwassen reuzenaardschildpadvrouwen gemiddeld kleiner dan mannen. Mannen hebben vaak een concaaf plastron, en een dikkere en langere staart dan vrouwen.
Bij zeer jonge dieren is er geen onderscheid zichtbaar. De enige aanwijzing voor hun geslacht is de temperatuur waarop ze zijn uitgebroed. Het kan tot vier jaar duren voordat het geslacht met zekerheid is vast te stellen.
Incubatietemperatuur en geslachtsbepaling

1.2 Verschillen met andere soorten

De gestekelde aardschildpad (Heosemys spinosa) is kleiner en heeft aan alle kanten van de carapax stekels. Hij heeft kleinere zwemvliezen dan de reuzenaardschildpad.
De Maleisische doornschildpad (Cyclemys dentata) heeft een doorlopende bovenkaak (zonder inkeping).
De streepnekbladschildpad (Cyclemys tcheponensis) heeft vier horizontale lijnen aan de zijkant van de nek en kop.
Determineertabel voor Heosemys
forumonderwerp over identificatie
Cyclemys dentata Cyclemys tcheponensis Heosemys spinosa
Cyclemys dentata
Cyclemys tcheponensis
Heosemys spinosa

2.1 Habitat

Moerassen, loofbossen en bergbeken. Deze schildpad zit vaak verscholen onder struikgewassen.

2.2 Verspreiding

Zuid-Myanmar, Vietnam, Cambodja, Laos, midden- & west-Thailand en west-Maleisië. Er zijn onvoldoende aanwijzingen voor de aanwezigheid (vroeger of nu) van de soort in Singapore.
De soort is beschermd Thailand, Myanmar en Cambodja.
Gedetailleerde lijst met locaties
Heosemys grandis in museum collections
Verspreiding/status van H. grandis in Singapore

2.3 Andere soorten schildpadden

In een deel van het verspreidingsgebied van H.grandis komen de volgende soorten voor: Amyda cartilaginea, Indotestudo elongata, Manouria emys, Chitra chitra, Cuora amboinensis, Heosemys spinosa en (uitheems) Trachemys scripta elegans. H.grandis kan elk van deze soorten in het wild tegenkomen.

3 Gedrag

Reuzenaardschildpadden zijn in het verleden samen met de volgende soorten in een verblijf gehouden, zonder dat er bijkomstige problemen gemeld zijn: Trachemys scripta elegans, Pelusios sinuatus, Chrysemys concinna, Cuora amboinensis, Cuora trifasciata, Batagur baska, Callagur borneoensis, Orlitia borneensis, Pseudemys rubriventris, Terrapene carolina, Rhinoclemmys pulcherrima, Rhinoclemmys diademata, Testudo hermanni & Ocadia sinensis. Ze zijn in het algemeen tolerant tegenover andere soorten. Sommige volwassen mannetjes kunnen echter zeer agressief zijn en moeten alleen gehouden worden.
In tegenstelling tot de meeste andere schildpadsoorten, vertoont H.grandis vrijwel geen baltsgedrag. Mannetjes bijten in de nek, poten en kop van vrouwtjes. Om een (Nederlandse) deskundige te citeren: 'Males' idea of reproduction often skips courtship and goes straight down to business, regardless of the female's consent.'

4 Huisvesting

Een vivarium voor H.grandis moet in ieder geval een watergedeelte en een landgedeelte met schuilplaatsen hebben. Als het landgedeelte geen schuilplaatsen heeft, dan zal de schildpad vooral in het water blijven.
Een maximum dagtemperatuur van 24-28C is aan te bevelen, hoewel H.grandis een temperatuur van 12C al goed kan verdragen. De temperatuur en luchtvochtigheid kunnen varieren om de seizoenen in hun natuurlijke leefomgeving na te bootsen.
Jonge dieren zijn voornamelijk aquatisch. Naarmate ze ouder worden, gaan ze meer op het droge zitten.

5 Voeding

Volgens Peter Pritchard eet deze soort bijna alles wat eetbaar is, maar wilde exemplaren eten vooral bladeren en af en toe aas, en in het regenseizoen ook fruit. Aanbevolen voedingsmiddelen zijn onder andere: mager vlees, magere vis, fruit, groente, waterplanten zoals waterpest, Ceratophyllum, Azolla en Vallisneria. Ze eten geen levend voer en sommige reuzenaardschildpadden houden niet van vis. Sepia dient altijd voorhanden te zijn. Voer ze niet te veel, want ze hebben de neiging om te zwaar te worden.
richtlijnen voor de voeding van Aziatische schildpadden
meer over voeding

6 Voortplanting

In het wild graven volwassen vrouwtjes nesten aan het eind van regenseizoen, van eind november tot begin december. De eieren komen uit in het begin van het volgende regenseizoen (mei-juni).
H. grandis legt 2-6 ovale eieren (afhankelijk van de grootte van het vrouwtje). De eieren hebben een doorsnede van 55-65 mm en wegen 50-60 g.
Sommige vrouwtjes vertonen nestgedrag (rondstruinen en graven) nadat ze al eieren gelegd hebben.
In gevangenschap hebben de eieren een incubatieperiode van drie en een half tot zes maanden, bij een temperatuur van 29C en 100% luchtvochtigheid. Pasgeboren schildpadjes wegen ongeveer 23 g en hebben een grote fontanel (zachte plek) in het midden van het plastron.
• meer hierover: Ernst/Barbour (1989)

6.1 Hybriden

De familie van de Geoemydidae is berucht om de vele hybriden, maar ik ken geen bewezen gevallen van H.grandis hybriden. Er is ooit melding gemaakt van een Heosemys grandis x Ocadia sinensis hybride op een Kingsnake-forum (bron) maar dit heb ik niet kunnen verifiëren.

7 Gezondheidsproblemen
7.1 Parasieten

Bij Heosemys grandis zijn de volgende organismen aangetroffen: Entamoeba invadens, een vrij algemene amoebe; Falcaustra kinsellai, Serpinema octorugatum, Oswaldocruzia malayan, Spironoura siamensis, Spironoura stewarti, Zanclophorus purvisi, Quasichorchis purvisi, Stunkardia dilymphosa and Telorchis clemmydis
• bronnen: Murray (2004), Sharma e.a. (2002) Bursey and Freeman (2005)
  Reageer op de inhoud van deze pagina

  Terug naar het begin van deze pagina